In ‘ons’ appartement in Venetië hangt een aantal
zwartwitfoto’s van Ditta Naya, op posterformaat. Het meest intrigerend vind ik
‘Panorama dai Giardini Pubblici, Venezia, gelatina, 21 x 27 cm’. Een jaartal
ontbreekt. Ik vermoed dat de foto dateert uit de laatste decennia van de
negentiende eeuw.
Er zijn vier beeldbepalende elementen: links de campanile en
kerk van San Giorgio Maggiore, dan de basiliek van de Sante Maria della Salute
met de Punta della Dogana, rechts de campanile van San Marco en ten slotte
daarvóór het Dogenpaleis. Een groot deel van de Riva degli Schiavoni wordt aan
het oog onttrokken door een grote struik. Op de voorgrond staat een stenen
muurtje. Op het muurtje zit een meisje, dat achterom kijkt naar het panorama,
Vlak bij haar staat een oudere vrouw die in dezelfde richting kijkt. Helemaal
vooraan speelt een meisje met een hoepel.
Het uitzicht is nog altijd formidabel, ook al kan ik de
precieze locatie van waar af de foto is genomen niet meer terugvinden. De bacino
ligt er op de foto verlaten bij. Wat ontbreekt zijn de vaporetto’s, de luxe
jachten en de cruiseschepen. De vaarroute is duidelijk aangegeven, maar op het
moment van opname vaart er geen groter (stoom)schip. Wel zie ik links een
meerpaal, een drijvende ton en een kabel. Toeristen zijn er al wel: niet ver
van het uitzichtpunt vaart een gondel met baldakijn richting Lido. Ik moet
denken aan Thomas Manns novelle Der Tod in Venedig, waarin zo’n zwartgelakte
gondel hem sterk doet denken aan de dood zelf.
De foto roept bij mij vooral vragen op. Wie of wat was Ditta*
Naya? Wanneer is deze foto gemaakt? Voeren er toen al vaporetto’s over Canal
Grande en de bacino di San Marco? Hoeveel toeristen kwamen er destijds
jaarlijks naar Venetië? Speelt de novelle van Mann in ongeveer dezelfde tijd en zou Aschenbach,
zijn hoofdpersoon - al was het maar in mijn verbeelding – door het beeld hebben
kunnen varen tijdens zijn aankomst uit
Triëst, of tijdens zijn overtocht met een gondel naar het Lido? Wanneer werd
eigenlijk Grand Hotel des Bains gebouwd, het hotel waar Aschenbach de
beeldschone Tadzio ontmoet? Ik ga het thuis uitzoeken.
In de negentiende eeuw waren er in Venetië twee
(stads)beeldbepalende fotografen: Carlo Ponti en Carlo Naya. Aanvankelijk
werkten ze samen, maar na een zakelijk conflict begon Naya in 1868 zijn eigen
studio aan Piazza San Marco, waar hij werkte tot aan zijn dood in 1882. De foto
is in elk geval ouder dan 1882. Ik vermoed dat hij gemaakt is in de jaren
zeventig. Naya en Ponti waren elkaars concurrent. Beiden specialiseerden zich
in foto’s van architectuur, panorama’s en kunst, en richtten zich op dezelfde
rijke toeristen. Door hun grote collecties negatieven konden ze snel aan de
vraag naar losse foto’s of albums
voldoen.
Venetië was al in de achttiende eeuw een geliefd reisdoel.
Jonge mannen uit – met name Britse - aristocratische kringen maakten een
culturele rondreis door klassiek Europa. Zo’n ‘grand tour’ naar Italië
(Florence, Venetië én Rome) kostte een klein vermogen en was dan ook alleen weggelegd
voor de ‘happy few’. Als in de negentiende eeuw door de komst van stoomschepen
en de aanleg van spoorlijnen Italië (Venetië**) beter bereikbaar wordt, kunnen
de meeste jonge mannen, steeds vaker ook uit Amerika (en later ook jonge
vrouwen), van welgestelde families zich zo’n culturele stedentrip veroorloven.
Al in de jaren veertig komen er jaarlijks meer dan 100.000 toeristen naar
Venetië. Dit is de markt waarop Naya en Ponti zich richtten.
Manns novelle speelt zich af rond de eeuwwende. Hoewel de foto
iets oproept van de sfeer van het boek, is hij veel eerder gemaakt. Het Grand
Hotel des Bains is gebouwd in 1900 om rijke toeristen aan te trekken en Thomas
Mann verbleef er in 1911.
In de tijd van de foto voeren er al vaporetto’s
(waterbussen). Het mooiste bewijs vind ik op foto’s uit het archief van Naya,
waarop een vaporetto te zien is vlakbij de Punta della Dogana en een andere op
het Canal Grande.
Het wezenlijke verschil tussen Naya’s foto en de
werkelijkheid van nu, is de opkomst van het massatoerisme, dat Venetië als stad
van de verbeelding dreigt te vermorzelen. Ik heb een eigen foto toegevoegd voor het contrast. Beter kan ik het
niet zeggen. Wat dreigt onder te gaan is Venetië zelf.
* Ditta = firma [It]
* * In 1846 werd de
spoorbrug aangelegd die Venetië verbindt met het vasteland.
Het is zaterdagmiddag en wij zitten in een huis/appartement
in een volkswijk van Venetië. Als je de deur openlaat, 's avonds met een glas
witte wijn voor het huis gaat zitten, boodschappen doet bij de winkeltjes in de
omgeving en een klein beetje Italiaans spreekt, kun je een beetje in de huid
van de Venetianen kruipen en wordt je wellicht ook een blik gegund door hun
ogen. Verplaats je eens in een ander, ergens anders.
Dat interesseert mij: human
interest heette dat vroeger. Het langzaam verdwijnen van Venetië
interesseert mij minder. Wat mij boeit is dit: hoe leer je zo'n stad
kennen, hoe kun je je oriënteren, hoe wordt de stad bevoorraad, wat denken de
mensen die hier wonen (over het leven, over hun stad, over Italië, over toeristen),
waar zijn ze bang voor, wat hopen ze, hoe doden zij de tijd?
Amsterdam is niet het Venetië van het noorden, net zomin als
Sint Petersburg. Venetië ligt in een warmer klimaat, er zijn meer (en kleinere)
pleinen, smallere straten, meer bruggen, meer grachtjes, het is een
eilandenrijk, de taal is anders, de cultuur (in het algemeen) is anders, het
licht is anders, er is meer water om het te weerspiegelen, de geuren zijn
anders. Er zijn meer kerken, de bouwstijl is anders, er is meer grote kunst op
een klein oppervlak, er is meer kitsch dan waar ook (het carnaval, die
vreselijke maskers, die gondels, die regatta's, dat glaswerk van Murano, die
kantklossers van Burano). Maar tegelijkertijd is hier de verbeelding aan de
macht (geweest), zie je hoe menselijke ideeën over leven en werken, rijk
worden, macht krijgen, ergens in geloven (in God b.v) vorm hebben aangenomen.
En dat in een omgeving, die je alleen met veel fantasie en
overtuigingskracht kunt inrichten: een lagune met een paar eilanden, met een
omgekeerde S-vormige rivier (het Canal Grande) met een hoge oever
(Riva alto = Rialto), die is ontstaan door overstroming. Een oeverwal zouden
wij zeggen.
Dit is een stad die minstens zo tot de verbeelding spreekt
als New York, Londen of Parijs. Je kunt Venetië bezoeken als toerist, als
dagvlinder, je kunt haar zien als coulisse voor je vrijetijdsbesteding. Wij
gebruiken onze omgeving steeds meer als coulisse, als vrijmarkt, als braderie,
als danstent, als disco, als evenementenhal, als afleiding voor onze verveling
en leegte. We verzamelen indrukken, we spelen emoties na, we shoppen als belevenis.
Maar er gaat niets boven een tochtje met de vaporetto (de waterbus) over het
Canal Grande, om elf uur 's avonds, als de dagtoeristen weg zijn, de Venetianen
onder elkaar, samen met een paar buitenlanders die best willen integreren, als
is het maar voor twee weken. Dat is het moment waarop de kaartjesknipper een
gesprekje met je begint, ervan overtuigd dat je hem verstaat, dat je het
vandaag ook heel warm vond en blij bent dat je nog even buiten kunt zitten voor
je huis en de tover kunt ondergaan van deze weergaloze menselijke creatie.
Italo Calvino heeft een prachtboekje geschreven over de
geografische verbeelding: Onzichtbare
steden, de steden in ons hoofd. Hij gebruikt Marco Polo als
spreekstalmeester in het circus van zijn verbeelding. De
toeschouwer is de grote Kahn, die leeft van de beelden die Marco Polo hem
voortovert. Die
zetten zijn verbeelding in gang, scheppen voor hem een wereld, die even
concreet als wonderbaarlijk is. Marco Polo varieert op één thema, het Venetië
van zijn jeugd, zijn herinnering, zijn heimwee. Kenmerken die alle steden wel
hebben, worden verabsoluteerd, worden specifiek voor die ene stad. Onzichtbare
steden zijn de mentale kaarten die wij hebben van onze omgeving, steden
incluis.
De werkelijkheid bestaat niet, het is een creatie van onze
hersenen. Het terra incognita van
onze tijd is de belevingswereld, het wereldbeeld van de eskimo, de monnik, de
wereldreiziger, de geograaf. De hersenen, het heelal van de denkende mens, daar
begint alles en eindigt alles.
‘Je weet nooit wat voortkomt uit wat: de taal uit de ervaring of de ervaring uit de taal. ‘ (Joseph Brodsky, p. 58)
In Fondamenta degli Incurabili, in het Nederlands vertaald als Kade der Ongeneeslijken, vertelt Joseph Brodsky over zijn liefde voor Venetië, een stad die hem al fascineerde voordat hij er ooit was geweest, in wat hij noemt zijn vorige leven.* Dat kwam door een korte roman van een Franse schrijver, Henri de Régnier, die zich afspeelde in een winters Venetië; een exemplaar van Life met een kleurenfoto van een besneeuwd San Marco, beide van een vriend; en door een leporelloalbum met ansichtkaarten in sepia van zijn oma, om de belangrijkste bronnen te noemen. Brodsky bezocht Venetië ieder jaar en bij voorkeur in de winter. ‘In het abstracte seizoen lijkt het leven werkelijker dan daarbuiten,[…]’ en ‘wat mooi is bij lage temperaturen ís mooi.’ Volgens hem dwingen de kou en het schaarse daglicht je veel intenser te kijken, terwijl er bovendien ‘s zomers horden toeristen zijn. Ook blijken winterse geuren beter in staat een geluksgevoel bij hem op te roepen: de geur van bevriezend zeewier, de geur van het gietijzer van locomotieven. Alle zintuigen zijn in Venetië tot het uiterste gespitst, maar het meest van al het oog, want ‘het oog gaat vooraf aan de pen’. En ook omdat ‘alles hier het gezamenlijke doel heeft te worden gezien.’ ‘De stad is wel zo narcistisch dat ze je hoofd verandert in een amalgaam en het daarmee ontdoet van zijn diepten.’ Wat hotelkamerspiegels aan je teruggeven, stelt hij even daarvoor, ‘is niet je identiteit maar je anonimiteit, vooral in deze stad.’ Wat overigens niet erg is, want volgens Brodsky komen veel mensen juist naar Venetië om er even niet te zijn, anoniem te zijn. Het boek bestaat uit eenenvijftig korte hoofdstukjes, die een - Byzantijns - mozaïek vormen. Er lopen meerdere draden door het labyrint van dit boekje. Het zijn de bekende themata van Brodsky: de relatie tussen water en tijd: ‘Ik zie in water simpelweg het beeld van de tijd’; licht en donker, heden en verleden, steen en vlees, leven en dood. De opbouw van het boekje ontleent hij aan de al genoemde korte, roman van Henri de Régnier die zich afspeelde in Venetië, en die hij las toen hij 26 was, ‘de roman was geschreven in korte hoofdstukjes van een of anderhalve pagina. Door het tempo waarmee ze in elkaar overgingen ontstond het beeld van vochtige, koude smalle straatjes, waar je bij avond doorheen holt, steeds ongeruster, linksom, rechtsom.’ Wat voor Brodsky een gemakkelijk herkenbare stad was, want hij woonde toen nog in Petersburg. ‘Maar de hoofdzaak voor mij in de ontvankelijke fase waarin ik het boek onder ogen kreeg was dat het me de belangrijkste vertel-technische les leerde die er is: de kracht van een verhalende tekst hangt niet af van het verhaal zelf, maar van wat volgt op wat. Onwillekeurig ben ik dit principe gaan associëren met Venetië.’ En inderdaad, het hele boekje ademt de stille, mistige sfeer van deze labyrintische stad. Je snelt van hoofdstuk naar hoofdstuk. Waarom heet het boek Kade der Ongeneeslijken?** “In de eerste plaats zit [daarin] nog een nagalm van de pest, van de epidemieën die met de regelmaat van een volksteller eeuw na eeuw de halve stad schoonveegden.”… Tel hierbij op: tuberculeuze dichters en componisten; tel hierbij op: mannen met de overtuigingen van een zwakzinnige of estheten die hopeloos verliefd zijn op deze stad …En tel hier nog bij op dat de wisselwerking tussen pest en literatuur (en dan vooral de poëzie en de Italiaanse poëzie in het bijzonder) van het begin af aan heel ingewikkeld is geweest.” Er is een schat aan virtuoze zinnen, prachtige beelden, humoristische gedachten. De mooiste stukjes vind ik die op bladzijde 25/26, waarin de stad op zondag, als talloze klokken luiden, wordt vergeleken met een enorm theeservies dat staat te rinkelen op een zilveren blad. En het stukje op blz. 80/81 dat gaat over tranen en liefde, die komt met de snelheid van het licht en weer verdwijnt met die van het geluid. En dan zijn geestige typering van het Colosseum in Rome, waar volgens een vriend, “iemand de boog had uitgevonden en niet meer kon ophouden.”
Wat een prachtig boekje!
* Brodsky
woonde tot zijn gedwongen vertrek in 1972 in Leningrad/Petersburg.
** De Fondamenta degli Incurabili is een
metafoor voor de Zattere, op Dorsoduro. Brodsky logeerde regelmatig in het
nabijgelegen hotel Accademia. Aan de Zattere stond ooit een ziekenhuis voor
ongeneeslijk zieken.
De simmer begjint stadich op syn ein te rinnen. De dagen
wurde koarter, der sitte al ris hjerstige tusken. Dat bestsjut ek dat de
aktiviteit fan libellen minder wurdt. Trije nammen liede it libelleseizoen út,
hopkes (heidelibellen), houthynderkes (pantserjuffers) en de Hynstebiter.
Groepen en in soart dy’t we daliks om ús hinne sjen kinne, oant yn de eigen
tún. In bysûndere soart is de Ielstikelbiter dy’t ek by de hjerst heart, mar dy
we net sa maklik yn de eigen tún gewaar wurde sille. It is in biter (glazenmaker)
fan maksimaal 75 mm lang. De wyfkes binne tige grien, de Hollânske namme slacht
it meast op dy kleur. De Fryske namme is keazen fanwege de yntime relaasje fan
dizze libellesoart mei de Ielstikel (Krabbescheer), in plant fan skjin wetter
dy’t noch aardich wat foarkomt yn ús provinsje. De Ielstikelbiter is
ynternasjonaal in bedrige soart dy’t op de Reade List fan de libellen foarkomt.
Us lân is in ynternasjonaal bolwurk, mar ek hjir giet it net bêst. De provinsje
hat witte litten de Ielstikel as oandachtssoart te sjen en wol bygelyks besykje
yn it Grutte Wielengebiet it foarkommen fan de plant te befoarderjen. Yn it
Lege Midden komme noch aardich wat sleatten foar mei de Ielstikel. Dochs is de
libelle dit jier net folle sjoen. It gedrach fan dizze moaie leechfeansoart is
stereotyp. Praktysk ûnûnderbrutsen patrûljearret it mantsje boppe in
Ielstikelfjild, oer in lingte fan in meter as tweintich. Wurch wurdt er blykber
net. Hy hinget hast nea yn de fegetaasje. Foar in libellefotograaf in
besiking..
Let yn de middei komme de wyfkes by de sleat om aaikes te
lizzen.
Libellen binne betsjoenend. Harren ferskining en libbenswize prikkelje de fantasije, kitelje fragen oer it libben. Want sy binne libben. Wat moat je tinke en fiele by de neakene útlis dat de larve twa jier en soms noch langer ûnder wettter libbet, yn de blabber fan in sleat. En dan feroaret it libben. Wetterlibben wurdt fan it iene moment op it oare loftlibben. De nije libbensfoarm draacht de prachtichste kleuren, makket de sierlikste bewegings en hellet de gekste streken út. Is dit frivoale libben in beleanning fan de Skepper foar dat nearzige libben yn dy blabber. Sit hjir in gedachte achter? Hoe dan ek: it is betsjoenend. Ik tink dat dit it ek is dat my driuwt nei de libellen yn ûnbekende gebieten. It is dyselde betsjoening dy’t my eartiids –en no noch yn it foarjier- dreau nei fiere fjilden om de aaien fan de ljip te sykjen. Ik sykje it wûnder dat barre sil. Ik sykje ‘magic moments’. En ik tink dat els minske dy drive hat, bewust of ûnbewust. Ha ik dat sterker as in oar? Ik tink dat dy drive essensjeel is foar de minske. Ik leau dan ek dat de regeljouwer romte meitsje moat foar dizze drive. Romte foar magic moments. Ek al is dy spylromte dêrfoar yn dit folle lantsje noch sa beheind.
Meryl Streep wie moai yn ‘Julie & Julia’, yn de Glacier Cinemas. En justerjûn, myn lêste jûn, hawwe we in film sjoen oer in man dy’t simmers lang mei grizzlybearen libbe hat yn Alaska. A weird guy. It waard syn libben en syn dea, úteinlik. In prachtige tocht makke justermoarn, The Boys Scout Camp Trail, in stik troch prachtich bosk en by in rivier del en doe by de oseaan del wer werom. Prachtich. It soe moai wêze at we hjoed in bear seagen, seinen we tsjin inoar.. bwaa, spannend, want dat koe ek samara gebeure. Ynienen hearde ik in lûd fuort njonken my. En dêr wie in porcupine, in echte stykelbaarch, wat in joekel, in heale meter breed allinnich al, we seagen hoe’t hy yn ‘e bosken ferdwûn. Letter hearden we fluitsjen, krekt in plysjefluitsje… in marmot. Adelaars en roeken fleagen oer ús hinne. Op ‘e weromreis seagen we in soart deade salm, allinnich it fel, opiten troch.. ja, de bearen. En farske bearepoep. Altyd spannend. Doe’t we jûns thúskaemen, sei Michael dat hy bearen sjoen hie doe’t hy oan it fytsen wie. Wy nei buorren wat fierderop om te sjen. En doe seach ik bearen sa tichtby as it se noch nea sjoen hie. Mar dat hie in reden. Dizze minsken fuorje de bearen en dat is ferbean by de wet. It wie foar my in unyke gelegenheid om bearen sa tichtby te sjen, mar it wie ek frjemd dat hja har fuorren. Wow. Hjoed wer fleane, oer de bergen, in nacht yn Seattle en dan nei Cincinnati, oerstappe en dan nei Skiphol. Alaska, in koffer fol bagaazje nim ik mei.
Hjoed mei in boat it wetter op west en in soart walfisken en orka’s sjoen. We kamen wol tsien walfisken tsjin yn in groep. Walfisken hawwe gjin tosken, hja slute hearing yn en dan happe se ta. It wetter giet troch de balijnen hinne der wer út en hja hawwe in lekker mieltsje. Dat dogge se de hiele dei sawat. Hja ite in ton deis… Ik hearde har asemjen, pffffft…. bys ûnder…. Orka’s sjoen, die wurde ek wol killer whales neamd. It is de gefaarlikste groep fisken, net omdat hja sa grut binne (it is de grutste soart dolfijnen) mar omdat hja in walfisk kille kinne. Hja binne slim, dat is belangryk. It waar wie grys, it reinde, dat we seagen allinnich die grutte foarmen opdûken yn it wetter. Wow. Juster- jûn in fuorke stookt yn ‘e tún, hearlik. Tún, dat wol sizze reinwâld, sa is it hjir. Hjoed, snein, reint it ek. Dit is it waar dat hjir meastentiids is. In sacht reintsje. Goed foar de natuer dy’t hjir sa prachtich grien is.
In tocht makke nei Herbert Glacier, in gletsjer dy’t hjir net hiel fier fanôf is. Mei de truck fan Michael, de fytsen achteryn. It lêste ein moasten we rinne, oer rotsen, by de wylde iiskâlde rivier del, oer in smel stikje wetter. Allinnich de rivier lei noch tusken ús en de gletsjer yn. Mar dêr koene we net oerhinne, dat soe libbensgefaarlik wêze. Hiel deun op de gletsjer … prachtich. En kâld fansels.. Troch prachtig âld bosk.
Fannemiddei geane we nei in film Julie and Julia fan Meryl Streep, it reint, dat dat liket wol in goeie optie. Earst noch in trail rinne net sa fier hjirwei.
Meskien jûn noch in stikje. Moarn gean ik wer yn de fleanmasine, sjen hoe’t it yn Nederlân is.
Fanne wyke al in kear by de buorlju fan Marja west, tolve jier ferlyn haw ik har ek moete. In man en in frou mei in dochter. Der is in persoan bykaem en ek net. De man hâldt derfan om him as frou te ferklaaien en hat dan ek in oare namme. Ik wist der al fan, it makket my neat út, Marja ek net. We hienen wille. Jackie, sa hjit hja, wie allinnich thús. Hja hie sa’n om in kear mei ús út te gean, dat liet se fuort en daliks witte doe’t ik hjir kaem. Dat sil heve. It is net makkelik atst dat sa fielst, minsken begrype it faaks net, lit stean yn in net al te grut plak as hjir. Dat Marja hat hat moaie jurk meinaam nei it wurk en Jackie en ik pikke har op at hja klear is en dan geane we nei Juneau. Moarntemoarn, saterdei, op in boat en mogelik walfisken sjen, ik hoopje it, ik haw al twa sjoen mar wol graach noch mear sjen. We geane ek noch in trail dwaan, by the Herbert Glacier, fyts mei. Dat sil snein heve. Dat is fierder de wei út. We binne fanne wyke de wei hielendal útriden. En dan boem, hâldt it gewoan op en kinst net fierder. Dan moatst mei in boat as mei in fleanmasine. Sa is it hjir. Moandeitejûn flean ik wer nei Seattle, dat is yn Nederlân tiisdeitemoarn ierebetiid. En dan kom ik woansdei op Skiphol oan. Earst noch in uitje en in wykein foar de boech, moai.
Laatste reacties